



|

Architectuur.... Gravensteen
De kern van dit gebouw is de vierkante toren boven het rechtse gedeelte van de galerij; dit deel stamt vermoedelijk uit de dertiende eeuw. De toren was verdedigbaar.
De zeshoekige traptoren aan de linkerzijde werd in de tweede helft van de vijftiende eeuw toegevoegd. Oorspronkelijk deed het gebouw dienst als grafelijke gevangenis voor het gebied dat zich uitstrekte van het IJ tot Leidschendam en van de Noordzee tot Zwammerdam. De vierkante gevangenentoren had een gevangeniskelder op de begane grond, die alleen toegankelijk was via een luik in het gewelf: een uitstekende manier om uitbraken te voorkomen.
De eerste verdieping was via een houten ladder toegankelijk. Nu was uitbreken toch al niet gemakkelijk aangezien het complex geheel was omgracht; via een brug stond het in verbinding met het eveneens omgrachte naastgelegen Gravenhof. Aan de noordzijde lag een hooggelegen plein dat in de volksmond 'Schoonverdriet' of 'het groene zoodje' werd genoemd en waar de vonnissen werden voltrokken. In 1463 droeg Philips van Bourgondië et complex over aan de stad en konden er ook Leidse misdadigers worden vastgehouden en berecht (tot die tijd stonden zij terecht voor het Stadhuis aan de Breestraat).
De stad Leiden bleef het als gevangenis gebruiken. Vanaf 1530 konden hier zeker 40 gevangen worden vastgehouden. De martelkelder stond eeuwenlang te boek als ‚‚n van de meest effectieve in de omtrek. De galerij aan de noordzijde (in twee fasen gebouwd in 1605 en 1656) vormde de tijdelijke bekroning van de modernisering van het complex. Vanuit deze galerij hadden de rechters uitzicht op de executieplaats, waarvan de omtrekken in het plaveisel zijn aangegeven. In 1853 werd hier het laatste doodvonnis voltrokken tegen Janus van der Blom, die een boerenmeisje onder Hoogmade op 'beestachtige wijze' had vermoord. Hij stierf aan de galg.
|