



|
Leidse Hout
De sociale hervormingen van na de eeuwwisseling zorgden voor ingrijpende veranderingen op het gebied van de openbare parkaanleg. Mede door de gelijktijdige invoering van de Woningwet en de Gezondheidswet in 1901 kwam er meer aandacht voor betere leefomstandigheden voor de arbeiders. Ook in Leiden was een kleine groep progressieve intellectuelen actief op dit front, maar het proces verliep vooralsnog langzaam. Het communistische raadslid Johannes Knuttel, die zich vanwege zijn sterk marxistische opvattingen had afgescheiden van de S.D.A.P riep tijdens een raadsvergadering in 1920 op tot het instellen van een commissie die de mogelijkheden van bos- en parkaanleg op grote schaal moest gaan onderzoeken. Al spoedig was Knuttels voorstel niet meer weg te denken van de politieke agenda, maar geldgebrek verhinderde de gemeente vooralsnog hier serieus werk van te maken.
In 1926 werd de stichting Fonds voor Aanleg, Onderhoud en Beheer van Wandelparken in het leven geroepen. Dit initiatief zou leiden tot de aanleg van de Leidse Hout. Het eerste ontwerp was van de hand van landschapsarchitect K.C. van Nes, telg uit een familie van boomkwekers. In 1928 gaf de gemeente 16,5 ha grond tussen de Warmonderweg, Houtlaan en de buitenplaats Oud Poelgeest in erfpacht aan het Fonds. Het ontwerp van Van Nes vertoonde sterke verwantschap met een Duits Volkspark. Kenmerkend waren de geometrische indeling, gebaseerd op de oude polderverkaveling en de monumentaliteit van lange zichtassen, grote rechthoekige vijvers en open grasvlakken. Het ontwerp hield rekening met de recreatieve wensen van deze tijd: een grote lig- en speelweide, een betonnen plasvijver, een bloemenweide, een volkstheehuis en een kinderspeeltuin. Deze voorzieningen werden gesitueerd in een nieuw gecreëerde natuurlijke omgeving. Aangrenzend voorzag het ontwerp in een sportpark.
Het plan bleek te duur en er moest een aangepaste versie en begroting komen. Met rijkssubsidie is de aanleg van het park uitgevoerd als werkgelegenheidsproject. Na ruim twee jaar was het beschikbare geld op en moest het nog onvoltooide park het voorlopig stellen met een eenvoudige afwerking. Het werd beplant met inheemse soorten die van nature in de omgeving van Leiden voorkwamen. Veel hiervan is nu nog in de hout aanwezig.
In 1931 werd het park officieel geopend. Door middel van allerlei activiteiten werd gepoogd de belangstelling bij het publiek op te wekken. Zo kregen schoolkinderen al wandelend les in de natuur, en voor ouderen waren er onder andere volksconcerten. In de Tweede Wereldoorlog leed het park grote schade: talloze bomen werden gekapt wegens behoefte aan brandstof. Spoedig na de oorlog werd begonnen met de herbeplanting.
|