



|

Gruwelijcke Praktijcken... Het Academiegebouw
Een van de belangrijkste en meest ingrijpende voorrechten van de Leidse
universiteit was dat van een eigen universitaire rechtspraak, het
zogenaamde privilegium fori. Tot de belangrijkste argumenten voor een
dergelijke speciale rechtbank behoorden het feit dat een internationaal
samengestelde academische gemeenschap zijn eigen normen en waarden heeft, de
wens goedkoop en snel te kunnen procederen en de overtuiging dat er terdege
rekening moest worden gehouden met de jeugdige leeftijd van een aanzienlijk
deel van de universiteitsbevolking.
De bezwaren die aan dit systeem verbonden waren, vooral het risico dat een
universiteit die haar eigen rechtspraak in handen heeft een staat in de stad
vormt, moest men voor lief nemen terwille van de bloei van de academie.
Ook bij de oprichting van de Leidse Universiteit in 1575 was men genoodzaakt
het privilegium fori te verlenen.
Ernstige ordeverstoringen en vechtpartijen waren bepaald niet zeldzaam. De
snelle groei van de studentenbevolking en de grote toevloed van
buitenlanders deed de onrust toenemen, vooral door de organisatie in
nationes, clubs van studenten uit een zelfde land of streek. Vechtpartijen
tussen studenten onderling en tussen studenten en burgers leidden vaak tot
bloedvergieten, vooral doordat er met allerlei wapens werd gestreden.
Gewelddadige sterfgevallen ten gevolge van samentreffen van elkaar
vijandig gezinde of slechts zich vervelende gewapende studenten en ten
gevolge van duels bleven gedurende de gehele 17de en 18de eeuw een frequent
voorkomend verschijnsel.
De Academische Vierschaar sprak in het algemeen zeer milde vonnissen uit.
Slechts één maal is er een doodvonnis uitgevoerd, namelijk in 1632. Laurens Hasenphurter, een zelf ook als student ingeschreven dienaar van de hier
studerende Poolse prins Janus Radziwill, had op 9 januari 1632 een klapwaker
doodgeschoten en werd daarom reeds zes dagen later onthoofd voor het
stadhuis
|