



|

Gruwelijcke Praktijcken... De begraafplaats aan de Groenesteeg
Tot de Franse Tijd werd in Leiden begraven in de Pieters-, Hooglandse- en
Vrouwekerk en op enkele bolwerken. In 1811 verbood Napoleon nog langer in de
kerken te begraven en in overleg met de burgemeester werd beslist dat er een
begraafplaats bij moest komen.
Op de bolwerken werden de armen en kleine neringdoenden begraven, de Leidse
notabelen vonden nog steeds hun laatste rustplaats in de grafkelders van de
grote kerken. Er werd nu een terrein gezocht waar leden van gegoede families
hun doden konden begraven. Hiervoor bleek het bolwerk aan het einde van de
Groenesteeg uitermate geschikt en zo begon de Hervormde Kerk met de
inrichting van deze begraafplaats.
Na de Franse overheersing meenden de Leidenaars dat de dwingende eisen van
de bezetter niet meer golden. Zij wilden weer in de kerken begraven. Dit
werd echter in 1827 door koning Willem I ten strengste verboden.
De inrichting van de begraafplaats kwam vanaf dat jaar pas goed op gang.
Stadsarchitect Salomon van der Paauw maakte plannen voor het uitgraven van
de wandelpaden, het beplanten van het bolwerk en de bouw van een aula met
bovenwoning. Volgens zijn berekening konden er 1138 graven gemaakt worden.
Er werden vier soorten graven onderscheiden: gemetselde en zandgraven in
eigendom, huurgraven en een algemeen graf.
Een enkel graf kostte fl. 60,-, een dubbel fl. 80,-; daarbij kwam dan nog fl. 25,-
voor het delven van een graf voor volwassenen, terwijl voor kinderen fl. 12.50
gerekend werd. Pasgeborenen werden voor fl. 6.25 in het graf gelegd.
Ter vergelijking: op het Valkebolwerk, bij molen de Valk, waren de kosten
voor het delven slechts fl. 2.50.
En dan te bedenken dat een arbeider met vrouw en zes kinderen slechts een
weekloon van zes gulden te verteren hadden!
(foto Kees Swart, De Leidse Kalender 1999)
|